Beste zusters, beste collega’s
Wie ook vorige jaren in deze viering aanwezig was, weet al wat ik eerst wil zeggen vandaag: de 40dagentijd die begint met aswoensdag, is de tijd van ‘zullen we nog eens proberen (meer) christen te worden?’. Want, christen, je bent het/er nog niet. Je bent nog geen christen. Je probeert het wel, maar een en ander mag nog wel veranderen, een andere richting uitgaan. Dat is de betekenis van ‘bekeer u’. Als een mens christen wordt, neemt zijn leven een andere wending, en jaarlijks willen we ons herbronnen, opnieuw die wending maken. Durf nu eens echt geloven in de Blijde Boodschap, ga ervoor in alle domeinen van je leven: in je omgang met geld, met tijd, met de schepping, met seksualiteit, met je naasten, met vluchtelingen, met de politiek, met ‘armen’ in alle betekenissen, met jezelf, met Jezus, met de heilige Geest, met God. Zullen we het nog eens proberen...? Om dit dieper te verstaan, moeten we terugkeren naar de eerste eeuwen van het christendom, want daar ligt de oorsprong van de veertigdagentijd. De meeste mensen werden toen niet als babies gedoopt, maar ontdekten het christendom als volwassenen en meldden zich dan bij de Kerk aan : “Ik wil ook christen worden.” Zij moesten vervolgens een leerschool doormaken die vaak tot drie jaar duurde, en waarin zij de bijbel en het evangelie leerden kennen, zich gingen hechten aan de persoon van Jezus Christus, en het leven van de Kerkgemeenschap in liefde voor God en voor de naaste leerden kennen en delen. Zij werden dan gedoopt en gevormd en deden hun eerste communie in de grote viering van de Paaswake. Maar in de laatste 40 dagen daaraan vooraf gingen de doopleerlingen ‘in quarantaine’ of veertigdagentijd. Zoals het Joodse volk 40 jaar door de woestijn trok op weg naar het beloofde land, zoals Jezus 40 dagen de woestijn in ging voor zijn doopsel door Johannes, zo waren er ook voor de doopleerlingen 40 dagen van intensere voorbereiding, vooraf aan het grote moment van hun doopbelofte en het ontvangen van het doopsel. En de gemeenschap van de christenen die ooit zelf zulke catechumenen waren geweest, deed een beetje opnieuw mee met de doopleerlingen in die veertig meer intense dagen vooraf aan Pasen, en zij hernieuwden in de paaswake dan hun doopbeloften: zoals we dat nog steeds doen.
Dit jaar vangen we deze periode aan in bijzondere solidariteit met onze paus Franciscus, die ziek is. Het blijft medisch een open vraag hoe goed hij nog zal kunnen herstellen. Het is nog wel te vroeg voor een in memoriam, maar laten we dit jaar dan extra goed luisteren naar waartoe hij ons oproept. De Kerk viert elke 25 jaar een bijzonder jubeljaar, een soort jubileum van dit jaar 2025 jaar sinds Gods komst in onze wereld in Jezus. En de paus heeft dit jubeljaar in het teken van de hoop geplaatst: christenen moeten pelgrims van hoop zijn. En voor deze 40dagentijd en de 50 dagen paastijd die er op volgen, vraagt hij ons: bekeer u tot de hoop. Daar wil ik nu wat verder bij stilstaan, en ik laat mij daarbij inspireren door een mooi boekje van de Tsjechische theoloog en nauwe medewerker van de paus Tomas Halik, Niet zonder hoop.
Halik begint zijn nadenken over de hoop met te zeggen wat hoop niet is: geen optimisme, en geen pessimisme. Hij verwoordt dat als volgt: “Op de vraag of ik een optimist of een pessimist ben, antwoord ik dat ik iemand ben die strijdt voor de hoop – en als zodanig wijs ik beide alternatieven met klem af.” De optimisten, zegt hij, zijn valsemunters die het goud van de hoop inwisselen voor het klatergoud van hun eigen ideeën en verlangens waaraan de werkelijkheid moet beantwoorden. “Het optimisme is de gedurfde aanname of de gewaagde veronderstelling dat ‘alles goed zal gaan’; in tegenstelling daarmee is de hoop een kracht die zelfs een situatie kan doorstaan, waarin deze aanname een illusie is gebleken.” In mijn leven, zegt Halik, heb ik te veel gestalten van het optimisme leren kennen die ik weerzinwekkend vond. Eerst in de gestalte van de communistische pioniers met hun liederen over het naderende paradijs, waar we ‘de wind en de regen zullen bevelen, wanneer het regenen en wanneer het waaien moet’, maar het waren liederen die de jammerklachten moesten overschreeuwen van de slachtoffers die deze revolutionaire toekomst heeft geëist. Enkele decennia later kon ik de pioniers van het ‘nieuwe kapitalisme’ van dichtbij meemaken. Zij vertrouwden op de almacht van de ‘onzichtbare hand van de markt’ en lachten iedereen uit die de opbouw van een verdere gelukkige toekomst wilden matigen door te wijzen op de noodzaak om daarbij de principes van de moraal en het recht in acht te nemen.” Optimisme blijkt enerzijds gevaarlijk omdat we de werkelijkheid dan gaan manipuleren, en anderzijds slaat het helemaal om als het zelfbegoocheling is gebleken. Te gemakkelijk optimisme over het personeelstekort als probleem nummer 1 in onze huizen zou wel eens heel gevaarlijk kunnen blijken, net als optimisme over wat Poetin en Trump (niet) zullen aanrichten, of over dat huis dat te duur uitvalt maar dat we toch willen kopen, enz.
Het pessimisme komt er nochtans niet beter vanaf. “De scepsis en ironie waarmee ik sinds mijn jeugd naar de consumenten van het opium van allerlei optimistische ideologieën heb gekeken, hebben mij echter nooit in het kamp van het pessimisme gedreven. Daar zie ik slechts de omkering van het optimisme. Pessimisme is vaak de kater van snel ontnuchterde optimisten – en in dit geval leidt dit vaak tot cynisme. In sommige gevallen is pessimisme zelfs gevaarlijker dan optimisme. Naïeve en goedgelovige mensen vervallen gemakkelijker in optimisme, terwijl pessimisme vaak een ziekte (of een verleiding) is voor wijze, ervaren en deskundige mensen. Als een mens de uitdaging die in de crisis van de middelbare leeftijd verborgen ligt, niet aangaat, bestaat het gevaar dat hij de rest van zijn tijd als een cynicus door het leven gaat. De optimist is een valsemunter, maar de pessimist pleegt hoogverraad ten aanzien van het leven, hij is een deserteur, nog voor de strijd uitbreekt.” De pessimist zoekt meer problemen dan oplossingen, hij probeert zelfs niet aan het personeelstekort in onze huizen te verhelpen, hij wacht gewoon en zegt dan: “Zie je het wel, ik had gezegd dat dit zou gebeuren...”
Wat is dan de hoop? Hier geef ik graag een definitie van een andere Tsjech, de grote Vaclav Havel, dissident in het communistische Tsjechoslowakije en later eerste president van het democratische Tsjechie, met wie Halik goed bevriend was. Havel zegt het zo: “Hoop heeft niets te zien met optimisme. Hoop is niet de overtuiging dat iets goed zal gaan, maar de zekerheid dat iets een zin heeft, onafhankelijk van hoe het zal eindigen.” Hopen betekent de richting van een betere wereld en een beter menszijn kiezen en in die richting proberen vorderen, en dit ongeacht de kansen voor die richting. Want in de juiste richting vorderen is sowieso zinvol op zich. Met de Franse theoloog Xavier Lacroix: “il y a toujours une bonne nouvelle à annoncer”, wat je kan vertalen als ‘er is altijd goed nieuws te melden’ maar ook ‘er is altijd een blijde boodschap die je kan verkondigen’. En dan is het rechtstreeks gelinkt aan wat ons zo dadelijk zal worden gezegd: bekeer u en geloof in de blijde boodschap.
De echte hoop kan daarom vooral geboren worden als de gewone hoop de bodem ingeslagen wordt - dit wil zeggen als eigenlijk het optimisme de bodem ingeslagen wordt - en als men dan toch niet toegeeft aan pessimisme. Halik citeert hierover een Duitse arts-filosoof die reflecteert over zijn ervaring met misschien stervende patiënten (denk aan onze paus): “Waar wordt de hoop heel concreet, waar wordt ze duidelijk zichtbaar en waar ontplooit ze zich met al haar kracht? Het antwoord moet luiden: in de nood, in de vertwijfeling. Ja, het valt gemakkelijk aan te tonen dat de hoop van een ongeneeslijk zieke juist dan ontstaat wanneer de hoop uit het gewone alledaagse leven teloorgaat. Uit het verlies van de gewone, alledaagse hoop ontstaat de echte hoop. Het gaat die hoop niet meer om het verdwijnen van de ziekte, de pijn, de zwakte en alle symptomen, maar om de heelheid of het weer-heel-worden van de persoon.’ En dan schrijft deze arts, niet de theoloog Halik: “Bij de ervaring van deze hoop gaat het om een ervaring (die de zieke heeft) van een transcendente relatie die ons bestaan overstijgt.” Hoop betekent de verwachting dat er iets kan zijn wat redt, waarbij de voorstelling van zo’n redding tot op zekere hoogte onbepaald blijft. Dit is de menselijke bodem, de natuurlijke voorloper of de grondstof als het ware, voor de christelijke deugd van de hoop, die uiteindelijk altijd de hoop op de opstanding is, zegt Halik. Onze hoop is uiteindelijk hoop op God die ons redt, wat we met Pasen zullen vieren.
Bekeren wij ons tot deze hoop, op drievoudige wijze. Vooreerst in aalmoezen. In de politiek wordt het budget voor ontwikkelingssamenwerking momenteel vaak teruggeschroefd ten voordele van het budget voor defensie. Laten wij vanuit onze hoop op een betere wereld gul blijven schenken aan broederlijk delen, misschien aan Lisanga als u wil. Want de druppel op de hete plaat heeft diepe zin, ook als het maar een druppel is. Laten wij ten tweede ook bidden voor een betere wereld op macro-, meso- en microniveau. Laten wij het niet opgeven met onze wereld, met onze ouderenzorg, met een moeilijke familiesituatie, met een lastige partner misschien, maar hoopvol Gods hulp vragen waar het moeilijk is. En laten wij ook ‘vasten’, dat wil zeggen ons oefenen om niet ikgericht te zijn en verslaafd aan allerlei zelfverwennerij, maar om vrij te worden voor gerichtheid op de ander, soms ook genoemd persoonsgerichte zorg in verbinding.
Laten wij ons nu op deze drievoudige wijze bekeren en geloven in de blijde boodschap van de hoop, en daartoe het teken van het kruis ontvangen.